Aat Veldhoen
(Amsterdam, Nederland, 1934 - 2018)
Aat Veldhoen, voor ons ‘Aatje’, greep het leven zoals het zich voordeed, zonder verfraaiing. In de jaren vijftig en zestig zette hij zichzelf op de kaart met prenten die hij rotaprenten noemde. Daarin liet hij het rauwe hart van Amsterdam zien: zieken, overledenen, vrienden, zwervers en evenzeer de broze intimiteit van geliefden. Alles kreeg dezelfde ernst, dezelfde aandacht.
Hij had een hekel aan de deftigheid van de kunstwereld. Kunst, vond hij, hoorde niet opgesloten te worden in witte schoenendozen, zoals hij galeries noemde. Daarom verkocht hij zijn prenten op straat, voor een paar gulden. Een daad die sommigen choquerend vonden, maar die hem juist populair maakte: een kunstenaar die de stad teruggaf aan de mensen die er leefden.
Zijn blik was scherp, soms ongenadig. Geen sentiment, wel de rafelranden die bij het bestaan horen. Zo groeide hij uit tot een chroniqueur van de stad – tekenaar, schilder, maar ook getuige. Later, toen zijn werk kleurrijker werd, bleef diezelfde nieuwsgierigheid aanwezig, het experiment nooit ver weg. Toch bleef zijn naam vooral verbonden met die vroege prenten: maatschappelijk, eerlijk, onopgesmukt.
Veel mensen noemden hem de eerste Nederlandse ‘volkskunstenaar’ van de moderne tijd. Een titel die hij waarschijnlijk met een schouderophalen zou hebben aangehoord.
Christian Ouwens werkte jarenlang nauw samen met Aat Veldhoen. Het onconventionele karakter van de galerie paste wonderwel bij de eigenzinnigheid van Aatje. Samen organiseerden ze tentoonstellingen met zijn etsen – eigenhandig gedrukt – en tekeningen die vaak al decennia geen daglicht hadden gezien. Christian verzamelde ze, liet ze restaureren en zorgvuldig inlijsten. Maar toen Aat eenmaal het eindresultaat zag, stak zijn koppigheid de kop op: verkopen, daar voelde hij niets meer voor.
Tot opluchting van allen kwam er toch een uitweg, en zo kon het publiek jarenlang genieten van de virtuoze hand van Veldhoen. Virtuoos, ja – snel van lijn, trefzeker. Zelfs nadat een herseninfarct zijn tekenhand had verlamd, leerde hij zichzelf in korte tijd met de andere hand werken. Nog steeds gedetailleerd, nog gevoeliger zelfs.
'GEEN TITEL' (2000)
67 x 49,5 cm